Un virus est une entité
biologique qui nécessite une
cellule hôte, dont il utilise les constituants pour se
multiplier. Les virus existent sous une forme extracellulaire ou intracellulaire. Sous la forme intracellulaire (à l'intérieur de la cellule hôte), les virus sont des éléments génétiques qui peuvent se répliquer de façon indépendante par rapport au
chromosome, mais non indépendamment de la cellule hôte. Sous la forme extracellulaire, les virus sont des objets particulaires, infectieux, constitués au minimum d'un
acide nucléique et de
protéines.
Pour la suite, voir Wikipédia.org…
Een virus is een hoeveelheid erfelijk materiaal (dit kan
RNA of
DNA zijn), gewoonlijk ingesloten in een omhulsel van eiwit. Een virus is biologisch een bijzonder verschijnsel en wordt niet tot de levende wezens gerekend omdat het zich niet zelfstandig kan voortplanten en geen metabolische activiteit vertoont. Voor het voortplanten heeft het virus de hulp nodig van een gastheerorganisme. Het vakgebied dat zich bezighoudt met virussen is de
virologie. Virussen verschillen van andere levensvormen doordat ze geen
stofwisseling kennen. Een virus koppelt zich aan een
cel, en injecteert daarin het eigen erfelijk materiaal. Elk virus kent een specifieke celsoort waarmee de interactie wordt aangegaan; er is een nauwe host range. Deze gastheerspecificiteit is zeer nauw; humane virussen zijn bijna zonder uitzondering gemuteerd uit dierlijke virussen, die allemaal gastheerspecifiek zijn voorafgaand aan de
mutatie. De
eiwitmantel van het virus wordt gebruikt om geschikte gastheercellen te herkennen. Binnen in de gastheercel geeft het erfelijk materiaal van het virus de opdracht om nieuwe virussen te maken. Dit kan in veel gevallen leiden tot de dood van de gastheercel (
lysis ofwel uiteenvallen van de cel dan wel celdood
apoptose of
necrose) of zelfs de dood van het
meercellig organisme waar de cel deel van uitmaakt, al kan een virus ook nuttige
genen inbrengen in een pro- of eukaryoot.
Zie meer op Wikipedia.org...