vida (f)
leven; geest; dieren; activiteit;...
{
life
}
"Life", Amerikaans maandblad...
{
Life
}
hartslag, pols(slag); peulvrucht
{
pulse
}
energie, levendigheid, vitaliteit
{
vitality
}
wereld; de wereld; de wereldbol; het...
{
world
}
vida (f)
leven; geest; dieren; activiteit;...
{
life
}
"Life", Amerikaans maandblad...
{
Life
}
levenslang; levensduur; gedurende het...
{
lifetime
}
levendigheid, vrolijkheid; energie,...
{
liveliness
}
liefde; genegenheid; geliefde;...
{
love
}
pan; aardewerk; kassa (bij pokerspel);...
{
pot
}
vida
schroef; aanschroeven; druk; vrek; knol;...
{
screw
}
vider
schoonmaken; reinigen; zuiveren
{
clean
}
tekenen; trekken; opnemen; trekken (v.e....
{
draw
}
trekken; slepen; eruit trekken;...
{
pull
}
borgstaan; hozen; parachuteren vanuit...
{
bail
}
ontruimen (van een woning of plaats);...
{
vacate
}
leeg maken; geldigheid annuleren
{
void
}
uitgooien, uitzetten
{
eject
}
vida
1. enthousiasme, geestdrift, uitbundigheid 2. hachje, leven