vacillation
zn.
wankeling, weifeling, schommeling
vacillation
sub
1 het wankelen, het waggelen, het schommelen;
le ~ de un barca het schommelen van een bootje
2 het flikkeren, het flakkeren;
~ de un flamma flakkering van een vlam
3 [Fig] onzekerheid, weifeling, aarzeling, besluiteloosheid;
con ~es ille lo ha admittite hij gaf het schoorvoetend toe