Het spijkerschrift of cuneiforme schrift (cuneus is Latijn voor
wig) werd rond
3200 v.Chr. ontwikkeld uit het oudere
pictografische schrift van
Sumer in het huidige
Irak. Het werd geschreven op plakken klei waarop men met een stukje riet wigvormige (= cuneiforme) inkepingen maakte. Met deze spijkers werd de omlijning van een pictogram nagebootst. Ieder pictogram stond voor een lettergreep. Hoewel de oudste toepassing van het schrift een economische was (ontvangstbewijzen, contracten enzovoorts), verschenen al rond
2400 v.Chr. de eerste literaire composities. De eerste schrijftalen waren Sumerisch en een vroege vorm van
Elamitisch, maar al snel kwamen er Semitische talen als Eblaïtisch en
Akkadisch, vooral na de overname van Sumer en Akkad door
Sargon de Grote. Later, rond
1300 v.Chr. kwamen daar ook
Indo-Europese talen zoals
Hettitisch,
Palaisch en
Luwisch bij. Het Ugaritisch werd rond
1400 v.Chr. geschreven met een vereenvoudigde vorm van spijkerschrift dat maar 30 tekens had en zich ontwikkelde in de richting van een
alfabetisch schrift. Het Elamitisch onderging een vergelijkbare ontwikkeling. In Irak zou het schrift nog lang gebruikt worden door de
Babyloniërs en
Assyriërs, die latere vormen van Akkadisch spraken. De laatste voorbeelden zijn van
ca. 75 na Chr. Tegen die tijd echter was het alfabetische Aramese schrift allang in algemeen gebruik, omdat het veel eenvoudiger was om te leren schrijven.
Zie meer op Wikipedia.org...