snap
ww.
happen (naar), bijten; aangrijpen (kans); (ermee) ophouden; (af)breken, (af)knappen; knallen (met zweep, geweer); snauwen
zn.
klap, hap, beet; knip (met vingers, schaar)drukknoop; foto; pit, energie
bw.
onverwacht, snel, bliksemsnel
bn.
onverwacht, snel-, bliksem-, flits- (stemming, film, etc.)
Snap!