run
ww.
rennen, weglopen; laten lopen; een programma starten (in computers); overgaan, laten lopen, beheren; voorbereiden; oprichten; voldoen; waarmaken; doorgaan; lekken; uitkleden; moeite doen
zn.
hardlopen; afstand; rit; gedeelte; serie; "trein ", aanval
Run
run
gang; laslaag; lasrups; machinegang; run; verwerkingsgang
run (to)
lopen; vervloeien; voeren; werken