rumor
zn.
gerucht
ww.
gerucht verspreiden
Rumor
rumoer
rumor
gerucht, praatje [N]
rumor
sub
1 gerucht, praatje(s);
~es de pace vredesgeruchten;
le ~ curre que het gerucht gaat dat;
facer currer un ~ een gerucht de wereld insturen;
facer circular un ~, propagar un -- een gerucht verspreiden;
iste ~es noce a nostre reputation die geruchten tasten onze goede naam aan
2 gerucht, verward geluid van stemmen, gedruis, geluid, rumoer;
~ approbatori/de approbation goedkeurend gemompel;
~ disapprobatori/de disapprobation gemompel van afkeuring