relation
zn.
relatie; familielid; betrekking, verhouding, verband
Verhouding
relation
betrekking; relatie; verband; verhouding; verwantschap
relation
sub
1 relaas, verslag, verhaal, bericht;
~ de viage reisverslag, reisverhaal;
interrumper su ~ zijn relaas onderbreken;
facer ~ de verslag doen van
2 relatie, betrekking, verband, verhouding;
le ~ inter le duo eventos de samenhang van de twee gebeurtenissen;
~ causal causaal/oorzakelijk verband;
~ de parentato verwantschapsbetrekking;
in ~ con, con -- a in relatie tot
3 omgang, verkeer, betrekking, relatie;
~es amorose liefdesbetrekkingen;
~es sexual sexuele omgang;
~es extramarital overspel;
~es de amicitate vriendschappelijke betrekkingen;
~es cordial hartelijke betrekkingen;
~es diplomatic diplomatieke betrekkingen;
~es cultural culturele betrekkingen;
~es human intermenselijke betrekkingen;
~es politic politieke betrekkingen;
~es public public relations;
~es de familia familiebetrekkingen;
~es de travalio/de labor arbeidsverhoudingen;
~es epistolari briefwisseling;
~ fixe/stabile vaste relatie;
circulo de ~es kennissenkring;
entrar in ~es con relaties aanknopen met;
mantener bon ~es con goede betrekkingen onderhouden met