Rad (das)
wiel; rad; stuur; omweg; omdraaiende...
{
wheel
}
rader
rimpelen, rimpels (doen) krijgen
{
wrinkle
}
ver/wegschrompelen, ineenklappen;...
{
crumple
}
Räder
wielen
rader
vb
1 schuren, schrapen, strijken
2 (uit)schrappen, wegschrappen, raderen;
~ un cosa de su memoria iets uit zijn geheugen wissen;
~ su passato een streep door zijn verleden halen;
~ un persona del lista iemand van de lijst schrappen;
~ le mention inutile doorhalen wat niet van toepassing is;
gumma pro ~ vlakgummi;
machina a/de ~ radeermachine
3 scheren, schampen, rakelings gaan langs;
le auto(mobile) ha radite su bicycletta de auto schampte langs zijn fiets;
colpo radente schampschot