Overeenkomst
Overeenkomst (titel VI van het VEU)
De samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie) werd ingesteld bij het Verdrag van Maastricht in 1993. In de overeenkomst werden toen specifieke instrumenten gecreëerd. Sedert het van kracht worden van het Verdrag van Amsterdam kan dit instrument nog alleen worden gebruikt voor de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, en gelden er nieuwe regels voor.
Een overeenkomst is gebaseerd op het nieuwe artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en wordt door de Raad met algemene stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement, goedgekeurd en daarna ook door de lidstaten volgens hun eigen regels. Nadat ten minste de helft van de lidstaten de overeenkomst hebben goedgekeurd, wordt zij in die landen van kracht.
Het Hof van Justitie is voortaan bevoegd om deze overeenkomsten prejudicieel uit te leggen en uitspraak te doen over geschillen bij de toepassing ervan. Zijn rol is echter ondergeschikt aan de aanvaarding van de lidstaten. Deze kunnen in een verklaring te kennen geven dat zij de bevoegdheid van het Hof erkennen en de nationale rechtbanken aanduiden die bij het Hof beroep kunnen aantekenen.
Zie :
Hof van Justitie van de Europese Unie
Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)
Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken