occasion
zn.
gelegenheid; gebeuren, gebeurtenis; geval, voorval; reden
ww.
veroorzaken, aanleiding geven tot
occasion
gelegenheid
occasion (to)
veroorzaken
occasion
sub
1 (gunstige) gelegenheid, kans, mogelijkheid;
~ favorabile/propitie gunstige gelegenheid;
al ~ bij gelegenheid;
al prime ~ bij de eerste gelegenheid;
profitar del ~ van de gelegenheid gebruik maken;
fornir le ~ de de gelegenheid geven om;
prender/sasir le ~ de gelegenheid aangrijpen;
perder/negliger/lassar escappar le ~ de gelegenheid voorbij laten gaan;
~ perdite gemiste kans;
le ~ es perdite de kans is verkeken;
quando le ~ se offere als de gelegenheid zich voordoet;
in omne/tote ~ bij elke gelegenheid;
le ~ face le fur de gelegenheid maakt de dief
2 aanleiding, reden;
dar ~ a aanleiding geven tot
3 koopje, buitenkansje, occasion;
libro de ~ tweedehandsboek;
auto(mobile) de ~ tweedehandsauto;
venditor de merces de ~ handelaar in tweedehands goederen