materia
zn.
materie (al wat massa heeft, zintuiglijk waarneembaar is; grondstof: materie en geest; alles wat te maken heeft met een onderwerp; organische materie)
materia
materie [F], stof, zelfstandigheid [F]
matéria
1. materie, stof, zelfstandigheid
materia
sub
1 materie, stof, grondstof, bouwstof, materiaal (anque Fig);
~ vivente levende materie/stof;
~ fissibile splijtbaar materiaal;
~ plastic kunststof;
~ explosive springstof;
~s organic organische stoffen;
~s inorganic anorganische stoffen;
~s synthetic synthetische stoffen;
~s nutritive voedingsstoffen;
~ brute onbewerkt/ruw materiaal;
~ prime grondstof;
~s grasse vetten;
~ gris grijze cellen, hersenen;
~ cerebral hersenmassa;
~ de inseniamento leerstof;
~ obligatori pro un examine verplichte stof voor een examen;
~ colorante kleurstof;
~ contagiose smetstof;
~ toxic vergiftige stof, gifstof;
~ malleabile kneedbare stof;
nomine de ~ stofnaam
2 [Phil] stof, materie;
transcender le ~ zich boven het aardse verheffen
3 onderwerp, inhoud, vak, materie;
~ de examine examenstof;
dominar le ~ de stof beheersen;
tractamento de un ~ behandeling van een onderwerp;
tabula de ~s inhoudsopgave;
in ~ de op het gebied van, op het stuk van, inzake;
in ~ de religion in godsdienstige zaken