lay
zn.
toestand; leg (v. kip); stand van zaken; wip, nummertje; plechtig lied, zang; iem. die bed deelt
zn.
lied, vers, ballade
ww.
neerleggen; leggen; dekken; voorleggen (voor mij); opleggen; plaatsen; veroorzaken; klaarmaken; wedden; wonen
bn.
gewoon; amateur; ondeskundig; niet priesterlijk; wereldlijk
lie
ww.
liggen; rusten; zich thuisvoelen; zijn
Lay
lay
laden, lading