lábio (m)
lip; mond; brutaalheid (spreektaal);...
{
lip
}
labio (m)
lip; mond; brutaalheid (spreektaal);...
{
lip
}
labio
lábio
1. lip
labio
sub
1 [Anat] lip;
~ superior bovenlip;
~ inferior onderlip;
~ leporin hazelip;
~ pendente hanglip;
de ~s grosse diklippig;
tumor del ~ lipgezwel;
unguento pro le ~s lippenzalf;
leger super le ~ liplezen;
humectar se/molliar se le ~s zijn lippen natmaken;
leccar se le ~s likkebaarden;
mangiar con le puncta del ~s met lange tanden eten
2 rand, lip (van een wond/schelp/glas/kelk);
~ de un plaga rand van een wond;
~s de un concha randen van een schelp;
~s de un tubo de organo lippen van een orgelpijp