Katoen is een zachte, eencellige vezel, die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden der
katoenplant groeit. De vezels worden doorgaans tot draden
gesponnen en als zodanig gebruikt om zacht, luchtdoorlatend
textiel van te maken. Katoen is een zeer waardevol gewas, omdat slechts ongeveer 10% van het ruwe gewicht bij de verwerking verloren gaat. Als sporen van
was,
eiwit, en dergelijke zijn verwijderd, blijft een natuurlijke
polymeer van zuivere
cellulose over. Deze cellulose is gerangschikt op een manier die katoen unieke eigenschappen geeft op het gebied van sterkte, duurzaamheid, en absorptie. Elke vezel is samengesteld uit twintig tot dertig laagjes cellulose die keurig om elkaar heen gedraaid zijn. Wanneer de katoenbol (zaaddoos) wordt geopend, drogen de vezels tot gedraaide platte lintvormige draden, die met elkaar zijn verbonden. Deze vorm is ideaal voor het spinnen tot een fijn
garen.
Zie meer op Wikipedia.org...