hacha (f)
hak apparaat; kopie; helikopter (jargon)
{
chopper
}
hachar
afsnijden,ophouden;opzij...
{
cut off
}
hacher
hakken; afhakken
{
chop
}
fijnhakken van vlees; nuffig trippelen
{
mince
}
hacha
bijl [M(F)], hakbijl
hacha
{sj} sub
bijl;
~ de combatto/de guerra strijdbijl;
interrar le ~ de guerra de strijdbijl begraven;
~ de mano handbijl;
~ de carnifice beulsbijl;
~ punctate/punctute puntbijl