habitude
zn.
gewoonte, gebruik
habitude
sub
gewoonte, gebruik, traditie;
~s de vita levensgewoonten;
~ inveterate ingekankerde/ingeroeste gewoonte;
~ de fumar rookgewoonte;
fortia del ~ macht der gewoonte;
mancantia de ~ ongewoonte;
prender un ~ een gewoonte aannemen;
perder un ~ een gewoonte verliezen;
secundo mi ~ zoals ik gewoon ben;
nos ha le ~ de mangiar a cinque horas wij eten gewoonlijk om vijf uur;
corriger un ~ een gewoonte afleren;
ille lo face per ~ hij doet het uit gewoonte;
le homine es le sclavo de su ~s de mens is een gewoontedier