hábito (m)
gewoonte, gebruik; habijt (van priesters...
{
habit
}
wenning; begin van gebruik; begin van...
{
inurement
}
(godsdienstige) plechtigheid/ceremonie;...
{
observance
}
-van buiten; machinaal
{
rote
}
routine, sleur; regime; gewoonte;...
{
routine
}
mode; gewoonte, gebruik; vorm, manier...
{
fashion
}
manier; weg; gewoonte; beleefdheid
{
manner
}
habitar
gehoorzamen; blijven; voortbestaan
{
abide
}
wonen; bewonen, inwonen; beklemtonen,...
{
dwell
}
in hart van .. wonen; zich bevinden
{
indwell
}
bezetten; vast houden
{
occupy
}
wonen; vast houden; vullen; bezighouden
{
occupy
}
een kamer bewonen
{
room
}
hábito (m)
jurk; gewaad; toga, mantel
{
robe
}
gewoonte, gebruik; habijt (van priesters...
{
habit
}
habitar
wonen; bewonen, inwonen; beklemtonen,...
{
dwell
}
bezetten; vast houden
{
occupy
}
wonen; vast houden; vullen; bezighouden
{
occupy
}
hábito
1. gebruik, gewoonte, usance 2. overlevering, traditie
habito
sub
1 kleren, kledij, kleding, klederdracht;
~ de lucto rouwkleding;
~ de hiberno winterkleding;
~ de marinero matrozenpak;
~ de festa feestkleding;
~ de gala galakostuum;
in ~ de ceremonia in vol ornaat
2 priesterkleed, monnikspij, habijt;
~ sacerdotal priesterkleed;
~ monachal monnikengewaad;
le ~ non face le monacho men moet niet naar de schijn oordelen;
prender le ~ priester/monnik worden;
jectar le ~ de kap over de haag smijten, uit de (klooster)orde treden
3 gewoonte, routine;
~ fixe vaste gewoonte;
~ inveterate ingekankerde gewoonte;
prender/adoptar/acquirer un ~ een gewoonte aannemen;
(un cosa) se transforma in ~ er treedt gewoontevorming op