habitar
gehoorzamen; blijven; voortbestaan
{
abide
}
wonen; bewonen, inwonen; beklemtonen,...
{
dwell
}
in hart van .. wonen; zich bevinden
{
indwell
}
bezetten; vast houden
{
occupy
}
wonen; vast houden; vullen; bezighouden
{
occupy
}
een kamer bewonen
{
room
}
habitar
wonen; bewonen, inwonen; beklemtonen,...
{
dwell
}
bezetten; vast houden
{
occupy
}
wonen; vast houden; vullen; bezighouden
{
occupy
}
habitar
1. gevestigd zijn, huizen, resideren, wonen
habitar
vb
wonen, verblijf houden, huizen;
~ (in) un loco een plaats bewonen, op een plaats wonen;
~ al campania op het platteland wonen