haber vb
vb
1 hebben (bezitten);
ille ha un belle casa hij heeft een mooi huis;
ille ha 20 annos hij is 20 (jaar oud)
2 (verbo auxiliar de tempore) hebben, zijn;
ille ha mangiate hij heeft gegeten;
ille ha arrivate hij is aangekomen
3 ~ a (+ Infinitivo) moeten, behoeven te
4 ~ frigido/ration/etc. Zie: frigido, ration, etc.
5 il ha er is, er zijn