gemar
gemer
kreunen, kermen, steunen; gebukt gaan...
{
groan
}
knorren (van een varken); brommen;...
{
grunt
}
huilen, jammeren, brullen, gillen
{
howl
}
kermen, kreunen; klagen, jammeren
{
moan
}
klagen, jammeren; loeien, een schel...
{
wail
}
janken, zeuren, zaniken
{
whine
}
gemere
kermen, kreunen; klagen, jammeren
{
moan
}
kreunen, kermen, steunen; gebukt gaan...
{
groan
}
blèren, mekkeren; arme taal spreken
{
bleat
}
klagen, jammeren; loeien, een schel...
{
wail
}
janken, zeuren, zaniken
{
whine
}
gem
stukje; beetje; klein muntstuk; boor;...
{
bit
}
trottoirband; rem, beteugeling
{
curb
}
geme
zucht(en)