figure
zn.
cijfer, nummer; gestalte; vorm; getal, bedrag; lichaams bouw, figuur; indruk; uitdrukking; voorbeeld
ww.
voorkomen, een rol spelen, vanzelf spreken; rekenen, cijferen; menen, geloven
Figuur
afbeeldinglichaamsvorm, gestalte, lichaamsbouw, postuur
voorstelling van een persoon, vooral een beeldje
illustratietekening, geheel van getekende lijnen of vlakken
persoon,
personageeen opvolging van passen en bewegingen uit een
dans, zie
dansfiguurgroep van tonen om een hoofdtoon of tussen twee hoofdtonen geplaatst
figuurlijk,
beeldspraak bevattend,
metaforisch, oneigenlijk,
overdrachtelijk tegenovergestelde van letterlijk
Zie meer op Wikipedia.org...
figure
cijfer; figuratie; tekening; vorm