ferir
wonden, kwetsen, blesseren
{
injure
}
omdraaien; kronkelen; verkrommen;...
{
wind
}
wonden; verwonden
{
wound
}
pijn doen, bezeren; deren, kwetsen
{
hurt
}
snijden; verkorten; verlagen; knippen
{
cut
}
slaan; raken, treffen
{
hit
}
vernietigen, bijtend zijn (sarc.)
{
scathe
}
feri (m)
ferire
omdraaien; kronkelen; verkrommen;...
{
wind
}
wonden; verwonden
{
wound
}
wonden, kwetsen, blesseren
{
injure
}
pijn doen, bezeren; deren, kwetsen
{
hurt
}
feri
veerboot
fèri
bak [M], overzetboot, pont, pontveer, schouw, veerboot, veerpont