facie
sub
1 [Anat] gezicht, aangezicht, gelaat;
~ pallide bleek gezicht;
~ magre mager gezicht;
~ oval ovaal gezicht;
~ de funeral begrafenisgezicht;
~ a -- tegenover (elkaar), van aangezicht tot aangezicht, oog in oog;
~ a -- con le morte in het aanschijn van de dood;
in ~ de tegenover;
testa/capite a duple ~ januskop;
lavar se le ~ zijn gezicht wassen;
perder le ~ gezichtsverlies lijden;
salvar le ~ zijn gezicht redden;
monstrar/revelar su ver ~ zijn ware gezicht tonen;
vider/reguardar le morte in ~ de dood in de ogen zien, de dood voor ogen hebben
2 aanzien, voorkomen, uiterlijk, aspect;
le numerose ~s de un question de vele kanten van een kwestie;
dar un altere ~ a un organisation een organisatie een ander gezicht geven
3 (opper)vlak, (buiten)kant/zijde;
le duo ~s de un folio de twee zijden/kanten van een blad;
~s de un prisma vlakken van een prisma;
~ epigraphic epigrafische zijde;
~ externe buitenzijde