di
dar
geven; aangeven; toegeven; geven...
{
give
}
voordragen; uitreiken, toekennen;...
{
present
}
handelen; geven; toebrengen; uitdelen;...
{
deal
}
produceren; opleveren; voortbrengen;...
{
produce
}
oogsten; produceren, opbrengen;...
{
yield
}
uitvoeren; akteren; voorstellen;...
{
perform
}
zeggen; veronderstellen; van mening zijn
{
say
}
nemen; pakken; brengen; begrijpen,...
{
take
}
onderwijzen; leren
{
teach
}
lezing houden; voordragen; de les lezen;...
{
lecture
}
beginnen, starten; vertrekken; openen;...
{
start
}
uitkijken; overzien; toezien; een oogje...
{
overlook
}
onderwerpen; opgeven; overgeven;...
{
surrender
}
decir
zeggen; veronderstellen; van mening zijn
{
say
}
uitdrukken, uitspreken
{
utter
}
vertellen; zeggen; weten; duidelijk...
{
tell
}
roepen; schreeuwen; uitnodigen;...
{
call
}
vermelden; doen herinneren; een hint...
{
mention
}
reciteren, opzeggen; opsommen
{
recite
}
di
di (d')
op; aan; over; langs
{
on
}
op, betreffende; naast
{
about
}
door; met, per; bij
{
by
}
wegens, vanwege, door
{
due to
}
dì
Di (Dienstag)
di
DI