construction
zn.
gebouw; bouwplaats, bouw; betekenis
construction
sub
1 het bouwen, het construeren, het vervaardigen, het aanleggen, het vormen, vervaardiging, aanleg, bouw;
~ de un phrase zinsbouw;
~ de un roman(ce) opbouw van een roman;
~ de un systema opbouw van een systeem;
~ de un casa het bouwen/bouw van een huis;
~ naval/de naves scheepsbouw;
societate de ~ naval/de naves scheepsbouwmaatschappij;
~ de dicas aanleg van dijken;
~ de pontes bruggebouw;
~ de fabricas fabrieksbouw;
~ de camminos wegenbouw;
~ de aviones vliegtuigbouw;
~ de machinas machinebouw;
~ de scholas scholenbouw;
~ de ecclesias kerkbouw;
~ de un porto havenaanleg;
~ serial/in serie seriebouw;
~ prefabricate montagebouw;
~ subventionate premiebouw;
~ suspendite hangconstructie;
~ portante dragende constructie;
~ participial deelwoordconstructie;
sito de ~es naval scheepswerf;
cantier/area de ~ bouwplaats;
material de ~ bouwmateriaal;
projecto de ~ bouwproject;
contracto de ~ bouwcontract;
plano de ~ bouwplan;
licentia/permisso de ~ bouwvergunning;
interprenditor de ~es bouwondernemer;
interprisa de ~es bouwonderneming;
costos de ~ bouwkosten;
precio de ~ bouwprijs;
petra de ~ bouwsteen;
ligno de ~ timmerhout;
terreno pro ~es bouwterrein;
regulamento/ordinantia de ~es bouwverordening;
anno de ~ bouwjaar;
falta/defecto/vitio de ~ constructiefout;
de recente ~ pas gebouwd;
de ~ legier lichtgebouwd;
poner un nave in ~ een schip op stapel zetten;
edificio in ~ gebouw dat in aanbouw is;
ponte de solide ~ brug die stevig gebouwd is
2 bouwwerk, constructie;
~ saliente uitbouw;
~ in ligno/in ferro/in petra/in aciero hout/ijzer/steen/staalconstructie;
~ in elementos prefabricate bouwwerk van geprefabriceerde onderdelen