companion
zn.
metgezel; gezelschap
companion
sub
1 metgezel, makker, kameraad, vriend
2 iemand die samengaat met iets/iemand anders;
~ de studios studiegenoot;
~ de vita levensgezel;
~ de viage reisgenoot, tochtgenoot;
~ de armas wapenbroeder, strijdmakker;
~ de joco speelkameraad/makker/genoot;
~ de (in)fortuna lotgenoot