casa (f)
huis; theater; publiek
{
house
}
gebouw; opzetten van gebouwen
{
building
}
veronderstelling; basis veronderstelling
{
premise
}
gebieden, vlakte; binnenplaats, erf,...
{
premises
}
casar
trouwen; in het huwelijk treden met;...
{
marry
}
trouwen (met), huwen (met); in de echt...
{
wed
}
zuinig huishouden (omgaan) met, zuinig...
{
husband
}
paren; koppelen; voortplanten; mat...
{
mate
}
aanpassen; passen; een waardige...
{
match
}
onder het juk brengen; in/voorspannen;...
{
yoke
}
casa (f)
huis; theater; publiek
{
house
}
interieur; binnenste van een gebouw;...
{
interior
}
gebouw; opzetten van gebouwen
{
building
}
plaats; plaats (in maatschappij, werk...
{
place
}
plaats (in het Frans. Alleen...
{
lieu
}
casar
trouwen; in het huwelijk treden met;...
{
marry
}
trouwen (met), huwen (met); in de echt...
{
wed
}
annuleren; waardeloos maken
{
annul
}
schrappen, afzeggen
{
cancel
}
kompromis sluiten; schikken; vrede...
{
reconcile
}
casa (f)
huis; theater; publiek
{
house
}
flat, woning; een plat voorwerp;...
{
flat
}
caser
onderbrengen; opbergen; opnemen; belonen
{
accommodate
}
Casa