apenar
veroordelen; beschuldigen
{
convict
}
afkeuren, berispen; veroordelen
{
condemn
}
apenar
verdriet hebben; rouwen; spijt hebben
{
grieve
}
leed berokkenen, pijn/verdriet doen
{
distress
}
bezorgd maken; in verlegenheid brengen
{
embarrass
}
pijn (aan)doen; leed doen
{
pain
}
apena
adv
(= a pena): nauwelijks