Een antistof (antilichaam of
immunoglobuline) is een eiwit dat een belangrijke rol speelt in de afweer tegen ziekteverwekkers en sommige soorten gifstoffen. Ieder individu maakt een grote collectie verschillende antistoffen. Elke antistof heeft zijn eigen specifieke, unieke structuur waaraan het kan hechten. Een stof (vaak een eiwit) met een structuur waaraan een antistof kan hechten wordt een antigeen genoemd. Antistoffen kunnen een gifstof onschadelijk maken door eraan te hechten en daardoor de schadelijke werking te blokkeren. De gifstof is dan geneutraliseerd. Antistoffen kunnen ook ziekteverwekkende organismen (
pathogenen) onschadelijk maken. Elk ziekteverwekkend organisme, virus, bacterie of grotere cel, heeft in principe antigenen op zijn oppervlak waaraan antistoffen kunnen binden. Daarna kunnen de onderstaande mechanismen ervoor zorgen dat de ziekteverwekker onschadelijk gemaakt wordt. De manieren waarop dat kan gebeuren, worden bepaald door de structuur van de antistof. De antistof heeft een Y-vormige basisstructuur met twee identieke toppen. Deze toppen bevatten het variabele deel, d.w.z. het deel dat verschilt tussen verschillende antistoffen en dat de antistof zijn vermogen geeft om specifiek aan een bepaalde structuur te hechten. Het pootje van de Y is het constante deel en dient als handvat voor andere onderdelen van het afweersysteem. De twee identiek toppen maken dat een antistof het antigeen waaraan het hecht doet samenklonteren.
Zie meer op Wikipedia.org...