anterior
bn.
voor; ...komt voor...
Anterior
Anterior
De voorzijde.
anterior
1. verleden, voorafgaand, voorgaand, vorig, vroeger
anterior
adj
(mbt plaats en tijd) voorafgaand, vroeger, vorig, voor...;
esser ~ a voorafgaan aan;
un scriptor ~ a Dante een schrijver voor Dante;
vita ~ vorig leven;
le die ~ de vorige dag, de dag ervoor, daags tevoren;
parte ~ del casa voorste gedeelte van het huis;
gamba ~ voorpoot;
platteforma ~ voorbalkon (van tram);
traction/transmission ~ voorwielaandrijving;
facie ~ del omoplate voorkant van het schouderblad;
pariete ~ voorwand;
axe ~ vooras;
rota ~ voorwiel;
furca ~ voorvork;
pneu(matico) ~ voorband;
vocal ~ voorklinker;
vela ~ voorzeil