andar
lopen, wandelen; voettocht maken;...
{
walk
}
lopen, gaan; gaan (rijden); aankomen;...
{
go
}
stappen; lopen; ergens opstappen;...
{
step
}
voorbijgaan, passeren; aangeven; slagen;...
{
pass
}
reizen, tocht maken
{
travel
}
andar (m)
wandeling, loop; voettocht; weggetje;...
{
walk
}
poging; enthousiasme; activiteit...
{
go
}
Japans bordspel voor twee personen in...
{
go
}
stap; opstapje; stap (v.d. ladder),...
{
step
}
pas; stand van zaken; doorgang; slagen...
{
pass
}
andar
lopen, gaan; gaan (rijden); aankomen;...
{
go
}
reizen, tocht maken
{
travel
}
lopen, wandelen; voettocht maken;...
{
walk
}
functioneren; werkzaam zijn; functie...
{
function
}
verstrijken, voorbijgaan
{
elapse
}
voorbijgaan, passeren; zich laten leiden...
{
go by
}
andar (m)
poging; enthousiasme; activiteit...
{
go
}
Japans bordspel voor twee personen in...
{
go
}
wandeling, loop; voettocht; weggetje;...
{
walk
}
anidar
zich nestelen,nestelen
{
nest
}
andar
[andar] m etage, verdieping, gang (wijze van gaan) // aftrekken, sterven, vergaan, verscheiden,. gaan, lopen, van stapel lopen, verlopen, zich begeven, marcheren, tippelen, schrijden, stappen, treden, karren, rijden, varen andar à caça de: jacht maken op, jagen, bejagen; andar a cavalo: rijden andar a galope: galopperen; andar a trote: draven, dribbelen; andar de avião: vliegen; andar de barco: varen; andar de bicicleta: fietsen; andar a pé: wandelen, stappen; andar depressa: zich haasten; andar bem: vooruitgaan; andar de mal para prior: achteruitgaan, verslechteren; andar de gatas: kruipen; andar triste: bedroefd zijn. bedrukt zijn; andar em direito: studeren in de rechten; andar a procura de: op zoek zijn naar; andar feito com: heulen met; pôr-se a andar: weggaan; anda cá!: kom hier!