afligir
teleur stellen, verdriet doen
{
chagrin
}
leed berokkenen, pijn/verdriet doen
{
distress
}
verdriet hebben; rouwen; spijt hebben
{
grieve
}
bedroeven, verdrietig maken
{
sadden
}
zich ergeren; aanvreten
{
fret
}
afligir
laten lijden; pijn doen
{
afflict
}
leed berokkenen, pijn/verdriet doen
{
distress
}
moeite nemen; hinderen; lastig vallen
{
trouble
}
schelen, mankeren
{
ail
}
afligí
bedroeven [v], beproeven [v], verdriet doen [v], verdrieten [v]