afirmar
bevestigen, bekrachtigen; toegeven
{
affirm
}
verklaren; er op staan dat; beweren
{
assert
}
verklaren; opgeven; aangeven
{
declare
}
gronden op-; toekennen aan-; baseren op-
{
predicate
}
beweren, verwenden, verklaren
{
profess
}
uitspreken; verklaren; laten horen
{
pronounce
}
afirmar
bevestigen, bekrachtigen; toegeven
{
affirm
}
beweren; vorderen; aanspraak maken op
{
claim
}
verklaren; er op staan dat; beweren
{
assert
}
verklaren; uitspreken; vaststellen
{
state
}
verklaren; opgeven; aangeven
{
declare
}
afirmá
beamen [v], bevestigen [v], ja zeggen [v], toestemmen [v]