affection
zn.
genegenheid; aandoening
affection
aantasting
affection
sub
1 gemoedsaandoening, affect
2 genegenheid, liefde;
~ maternal moederliefde;
~ filial kinderliefde;
~ del parentes/genitores ouderliefde;
termino de ~ liefkozend woord;
monstrar/demonstrar/manifestar su ~ zijn genegenheid tonen;
ganiar le ~ de un persona iemands genegenheid verwerven;
perder le ~ de un persona iemands genegenheid verliezen
3 [Med] aandoening, kwaal;
~ chronic chronische kwaal;
~ respiratori ademhalingsstoornis;
~ pulmonar longaandoening;
ille ha un ~ pulmonar zijn longen zijn aangedaan;
~ cardiac hartaandoening;
~ cerebral/del cerebro hersenaandoening;
~ hepatic/del hepate/del ficato leveraandoening;
~ ophthalmic/ocular/del oculo(s) oogaandoening;
~ gastric maagaandoening;
~ vascular vaataandoening;
~ de pectore borstaandoening;
~ tuberculose tuberculeuze aandoening;
~ nervose zenuwaandoening;
~ del hanca heupaandoening;
~es rheumatic reumatische aandoeningen;
~ cutanee huidaandoening;
~ acute acute aandoening;
~ fungic schimmelziekte