adressar
vb
1 adresseren, het adres schrijven op;
machina a/de ~ adresseermachine
2 wenden (tot), richten (tot);
~ le parola a un persona het woord tot iemand richten;
~ un question al presidente een vraag tot de voorzitter richten;
~ se a zich wenden/richten tot;
isto se adressava indirectemente a me dat was indirect tot mijn gericht