admitter
zn.
bekent; neigt te bekennen; geeft vergunning voor ingang, geeft toe, binnenlaten
admitter
vb
1 toelaten, binnenlaten;
~ nove membros nieuwe leden toelaten;
~ le possibilitate de mogelijkheid openlaten;
iste factos admitte un sol interpretation deze feiten zijn maar voor één interpretatie vatbaar;
on ha admittite sex candidatos zes kandidaten werden toegelaten
2 toegeven, erkennen;
~ su minoritate zijn minderheid erkennen;
~ su disfacta zijn nederlaag erkennen;
con vacillationes ille lo ha admittite hij gaf het schoorvoetend toe