adherer
zn.
aanhanger, trouwe dienaar
adherer
vb
1 (vast)gehecht zitten, (vast)kleven, aanhangen, (vast)plakken;
le cortice de iste arbore adhere fortemente al ligno de bast van deze boom zit stevig vast aan het hout;
le nave esseva plen de algas e conchas adherite het schip zat vol aangroei
2 [Med] verkleven, vastgroeien
3 trouw blijven , z'n bijval betuigen, lid worden;
~ a un partito zich bij een partij aansluiten;
~ al clandestinitate in het verzet gaan (tijdens de oorlog);
~ se a un puncto de vista een standpunt onderschrijven