adaptar
aanpassen; opnemen; aanmeten
{
adapt
}
onderbrengen; opbergen; opnemen; belonen
{
accommodate
}
aanpassen; afstellen; aanmeten;...
{
adjust
}
vormen, maken; aanpassen
{
fashion
}
in de juiste verhouding brengen;...
{
proportion
}
adaptar
aanpassen; opnemen; aanmeten
{
adapt
}
aanpassen; gehoorzaam zijn
{
conform
}
wijzigen, veranderen; wisselen; zich...
{
change
}
aanpassen; passen; een waardige...
{
match
}
passen, kloppen met; voorzien,...
{
fit
}
afstemmen; aanpassen; overstemmend
{
attune
}
adap
(godsdienstige) plechtigheid/ceremonie;...
{
observance
}
adapter
aanpassen; opnemen; aanmeten
{
adapt
}
aanpassen; afstellen; aanmeten;...
{
adjust
}
rangschikken, ordenen; regelen
{
arrange
}
passen; geschikt zijn bij
{
suit
}
vals (v. zingen); niet harmoniëren met;...
{
key
}
(in scheepvaart:) naar bakboort draaien;...
{
port
}
adaptá
aanbrengen [t], aanpassen [v], adapteren [v], afstemmen [v], bewerken [t], monteren; aanwenden [v], doorvoeren [v], in toepassing brengen [v], toepassen [v]