accidente (m)
dode; gevallene; door een ongeluk...
{
casualty
}
ongeval, ongeluk, ongelukkig voorval
{
mishap
}
ruïne; vernieling; afbraak, verval; oud...
{
wreck
}
slag; gerinkel; klap, slag, dreun; groot...
{
smash
}
bezwijming, flauwte
{
faint
}
accidentar
accidente (m)
ongeval, ongeluk, ongelukkig voorval
{
mishap
}
passen, pasvorm; stuip, toeval,...
{
fit
}
draai, bocht; beurt; ommekeer
{
turn
}
accidenté
ruw, ongepolijst; hard; grof; stenig;...
{
rugged
}
hard; ruw, grof; onbewerkt
{
rough
}
accidente
sub
1 toeval, toevalligheid;
per ~ bij toeval, toevallig, per ongeluk
2 bijzaak, iets bijkomstigs
3 ongeval, ongeluk;
~ de auto(mobile) auto-ongeluk;
~ de avion/de aviation vliegtuigongeluk;
~ de circulation/de traffico verkeersongeluk;
~ ferroviari treinongeluk;
~ minerari mijnongeluk;
~ de travalio/labor arbeidsongeval;
~ mortal dodelijk ongeluk;
~s personal/de persona persoonlijke ongelukken;
serie de ~s reeks ongevallen;
percentage de ~s ongevallenpercentage;
statistica de ~s ongevallenstatistiek;
haber un ~ een ongeluk krijgen/hebben;
perir in un ~ bij een ongeluk omkomen;
assister a un ~ getuige zijn van een ongeluk;
assecurantia contra ~s ongevallenverzekering;
polissa de assecurantia contra ~s ongevallenpolis
4 [Ling] uitgang;
~ grammatical grammaticale uitgang