abortar
aborteren, annuleren, verijdelen,...
{
abort
}
mislukken, falen; een miskraam hebben
{
miscarry
}
abortar
aborteren, annuleren, verijdelen,...
{
abort
}
mislukken, falen; een miskraam hebben
{
miscarry
}
mislukken, (laten) zakken; nalaten; in...
{
fail
}
dwaalde af, ging met verkeerde lui om,...
{
went astray
}
abortá
aborteren [t], de vrucht afdrijven, doen mislukken [v], laten mislukken