Die Semnonen waren der bedeutendste
germanische Zweigstamm der
Sueben im Raum zwischen
Elbe und
Oder von der
böhmischen Grenze bis an die
Havel, zeitweise auch jenseits der Oder und der
Warthe. Die Semnonen hatten im Gegensatz zu den meisten anderen westgermanischen Stämmen schon um 100 n. Chr. Könige. Nach Tacitus hatten sie 100
Gaue. Die Semnonen wurden zum letzten Mal 260 n. Chr. als Synonym zu
Juthungen, einem
alamannischen Teilstamm, erwähnt. Damals war ein großer Teil der Semnonen bereits nach Südwestdeutschland gewandert. In Brandenburg verbliebene Reste gingen erst im 6./7. Jahrhundert in den
Slawen auf.
Mehr unter Wikipedia.org...
De Semnonen waren een west
Germaanse stam die het kernvolk vormde van de
Sueben. Hun verblijfsgebied lag tussen de
Elbe en de
Oder in het huidige
Brandenburg en
Mecklenburg-Voor-Pommeren. In dit gebied lag het hoofdheiligdom van de Sueben waar volgens
Tacitus in zijn
Germania mensenoffers gebracht werden. Tacitus verhaalde verder hoe de Sueben een heilige plek aanbaden als verblijfplaats van de ultieme heerser van de wereld. Om hun onderschiktheid aan deze godheid te tonen mochten de Suebi dit heiligdom alleen vastgebonden in totale onderwerping betreden. Viel één van de aanwezigen dan mocht hij niet opstaan of overeind geholpen worden.
Zie meer op Wikipedia.org...