Saison (die)
getijde; periode; tijd; seizoen
{
season
}
periode; uur; jaargetijde; lesuur
{
period
}
ongesteldheid; menstruatieperiode
{
period
}
punt; eind v.e. zin; tijdperk
{
period
}
saison (f)
getijde; periode; tijd; seizoen
{
season
}
"Time", belangrijk Amerikaans...
{
Time
}
systeem gebruikt om ene gebeurtenis in...
{
time
}
Saison
seizoen;Sessie
saison
sub FRANCESE
seizoen, (geschikte) tijd;
~ de vacantias vakantietijd;
~ de viages reisseizoen;
~ touristic toeristenseizoen;
~ theatral theaterseizoen;
~ hibernal/de hiberno winterseizoen;
~ estive/de estate zomerseizoen;
~ balneari/del banios badseizoen;
~ de chassa jachtseizoen;
~ de pisca visseizoen, hengelseizoen;
~ del ceresias kersentijd;
~ del prunas pruimentijd;
~ del rubos bramentijd;
~ del rosas rozentijd;
~ del pluvias regenseizoen;
~ del musculos mosselseizoen;
~ del migrationes trektijd;
~ de patinage schaatsseizoen;
offerta de ~ seizoenaanbieding