parola
parolar
spreken; zeggen; uitdrukken; een speech...
{
speak
}
spreken, praten; zich uitdrukken
{
talk
}
zeggen; veronderstellen; van mening zijn
{
say
}
parola (f)
vloeiendheid, welbespraaktheid
{
fluency
}
parola (f)
woord; spraak; kort gesprek; belofte;...
{
word
}
mening; gesproken woord; spreekrecht;...
{
say
}
spraak; toespraak; lezing; taal
{
speech
}
parola
woord; spraak; kort gesprek; belofte;...
{
word
}
leuze; slagzin (in een advertentie)
{
slogan
}
leuze; slogan; parool; wachtwoord
{
catchword
}
cijfer (ook 0); code
{
cipher
}
lijfspreuk; motto
{
motto
}
voorwaardelijke vrijlating, parooltijd
{
parole
}
parola
sub
1 woord;
le ~ de Deo het Woord Gods, de Schrift;
~ currente courant/gewoon/gangbaar woord;
nove ~ nieuw woord, neologisme;
~ disobligante onvriendelijk woord;
~ componite/composite samengesteld woord;
~ de honor erewoord;
~ biblic bijbelwoord;
~ indecente onvertogen woord;
~ interrogative vraagwoord;
~ final slotwoord;
~ favorite stopwoord;
~ injuriose scheldwoord;
le poter del ~ de macht van het woord;
homine de ~ man van zijn woord;
libere super ~ vrij op erewoord;
tener/mantener su ~ zijn woord houden;
mancar a su ~ zijn woord niet houden;
ordine/ordinantia/ordination de ~s woord(volg)orde;
formation de ~s woordvorming;
~ per/pro -- woord voor woord;
familia de ~s woordfamilie;
joco de ~s woordspeling;
querela de ~s woordenstrijd;
cascada de ~s spraakwaterval;
enigma de ~s cruciate kruiswoordpuzzle;
le ultime ~ del scientia het laatste woord van de wetenschap;
in poc/pauc/duo ~s in het kort;
in/con altere ~s met andere woorden;
in le plus large senso del ~ in de ruimste zin van het woord;
biber le ~s de un persona aan iemands lippen hangen;
pesar su ~s zijn woorden wikken;
mantener/guardar/complir su ~ zijn woord houden;
diriger le ~ a un persona het woord tot iemand richten;
dar le ~ a het woord geven aan;
conceder le ~ a het woord verlenen aan;
violar le ~ zijn woord breken;
violation del ~ woordbreuk;
unir le action al ~ de daad bij het woord voegen;
fluvio/abundantia/fluxo de ~s woordenvloed;
divider un ~ een woord afbreken
2 het spreken, spraak, spraakvermogen;
analysator de ~ spraak-analysator;
haber le dono del ~ een geboren spreker zijn, de gave van het woord hebben;
derecto de ~ recht van spreken;
facilitate de ~ flux de bouche;
organo del ~ spraakorgaan;
facer uso del ~ het woord voeren;
prender le ~ het woord nemen;
demandar le ~ het woord vragen;
haber le ~ het woord hebben, mogen spreken;
retirar le ~ a het woord ontnemen aan;
perder le ~ de spraak verliezen;
perdita del ~ spraakverlies