Het Oudhoogduits is een vorm van het Duits dat van ongeveer de achtste eeuw tot ongeveer 1050 gesproken werd.De letterkundige overblijfselen uit deze tijd zijn gering in aantal. Uit hun taal is op te maken, dat woorden veel klankrijker waren, doordat de lettergrepen van verbuiging, vervoeging en afleiding een veel duidelijkere klank hadden.Er ontstond ook heel wat nieuwe
woordenschat. Men had immers nieuwe woorden nodig om de christelijke gedachtewereld te kunnen verklaren en te beschrijven. Deze gedachtewereld was voor de heidense Germanen nieuw en vreemd. Daarom probeerde men met vertrouwde woorden onbekende en abstracte begrippen van het
christelijke geloof uit te drukken. Verscheidene Germaanse woorden kregen dus een nieuwe betekenis.
Zie meer op Wikipedia.org...