Nordic
zn.
Noordeuropeaan, Scandinaviër
bn.
Scandinavisch; van of met betrekking tot Scandinavië of Duitsland; van Scandinavische afkomst; kenmerkend voor bevoling uit Scandinavië (groot, blond haar, blanke huidskleur en blauwe ogen); van of met betrekking tot langlaufskiën; van of betreffende skiwedstrijden die skilaufen en skispringen impliceren
nordic
adj
noords, noordelijk;
populos ~ noordse volken;
mythologia ~ noordse mythologie