lacio
zacht; uitgeput; zonder kracht
{
limp
}
laciar
gladstrijken; opruimen; rechtop gaan...
{
straighten
}
lacio
sub
1 veter, rijgsnoer;
mi ~ se disserra mijn veter gaat los;
stringer le ~s de amicitate de vriendschapsbanden aanhalen;
strangular con un ~ de seta met een zijden koord worgen
2 strik, strop, lus (om wild te vangen);
poner/tender ~s strikken leggen/zetten