auflösen
(zich) ontbinden, uiteengaan
{
disband
}
eindigen van vrienden relatie, uit...
{
break up
}
afscheiden; scheiden; afsluiten;...
{
separate
}
oplossen, smelten, vloeibaar worden;...
{
dissolve
}
annuleren; waardeloos maken
{
annul
}
afbreken; pauzeren; zijn mond houden
{
break off
}
afsnijden,ophouden;opzij...
{
cut off
}
auflösen
ontbinden;oplossen;deformeert;deformeren;ontbindt;wegwerken