ajustar
aanpassen; afstellen; aanmeten;...
{
adjust
}
regelen; bijleggen; regeling treffen;...
{
settle
}
afdingen; tot een overeenstemming komen
{
bargain
}
rectificeren, rechtzetten, verbeteren
{
rectify
}
aanpassen; opnemen; aanmeten
{
adapt
}
ajustar
passen, kloppen met; voorzien,...
{
fit
}
aanpassen; afstellen; aanmeten;...
{
adjust
}
reguleren; richten; regelen
{
regulate
}
passen; geschikt zijn bij
{
suit
}
in orde brengen, (bij)knippen;...
{
trim
}
ajustar
1. aanpassen, accommoderen 2. afstellen, fitten, passend maken, verstellen 3. egaliseren, gelijkmaken, vlakken 4. aangaan, afsluiten, contracteren