active
bn.
actief, bedrijvig; bijdragend, ondernemend
zn.
werkzaam zijnde (in grammatica)
Active
Werkzaam
active
actief; werkzaam
active
adj
actief, werkzaam, werkend;
population ~ beroepsbevolking;
commercio ~ drukke handel;
vita ~ actief/arbeidzaam leven;
in servicio ~ in actieve/werkelijke dienst;
vulcano ~ werkende vulkaan;
immunitate ~ actieve immuniteit;
[Ling] voce/forma ~ bedrijvende vorm;
ille se occupa de illo activemente hij houdt zich er actief mee bezig
Active
Dutch: Actief
French: Actif
german: Aktiv
IBM 2008 - Alain Buyze